Showing posts with label interreligieuze dialoog. Show all posts
Showing posts with label interreligieuze dialoog. Show all posts

Sunday, March 27, 2011

Vrijdenkersmiddag bij Remonstrantse Gemeente Vrijburg



Vandaag een korte maar enerverende interreligieuze middag gehad bij de Vrijdenkersmiddag van de Remonstrantse Gemeente Vrijburg. Drie sprekers, theoloog Ruard Ganzenvoort, islamitisch zakenman Tamim Chebti en ik spraken over het thema 'Vrijheid'. Mijn insteek was gebaseerd op het Pesach verhaal waarin vrijheid en verantwoordelijkheid elkaar snel opvolgen. Disclaimer: op de folder en website werd vermeld dat ik rabbijn ben, hetgeen niet waar is. Ik ben natuurlijk slechts nog 'in opleiding'!

Vrijdenkers Bijeenkomst Vrijburg

Vrijheid Blijheid?

‘Vrijheid blijheid’. Deze slogan uit de jaren zeventig lag decennialang aan de basis van de zelfperceptie van onze samenleving. Hoe vaak moesten wij Nederlanders (niet zonder gepaste trots, overigens) wel niet van bewonderende buitenlanders vernemen hoe ‘vrijzinnig’ ons land was?

Toch voltrekt er op dit moment een kentering. De waarden die wij lang voor lief namen staan op losse schroeven. Vrijheid van godsdienst. Vrijheid van meningsuiting. Tolerantie. Wederzijds respect. Maar ook de vrijheid om toegang te hebben tot betaalbaar onderwijs of gezondheidszorg. De vrijheid om te durven geloven in een optimistisch mensbeeld. En over de grenzen, slechts een paar uur vliegen bij ons vandaan, worden dierbare vrijheden op expliciete en schrijnende wijze met de voeten getreden.
Tegelijkertijd lijken we vrijer dan ooit. Door sociale media twitteren, facebooken en smsen we vrijelijk. We geven publiekelijk uiting aan onze innerlijke gevoelens (denken we) terwijl we genieten van een levensstijl waar onze voorouders slechts van hadden kunnen dromen.

Deze tegenstrijdige uitingen van onvrijheid en vrijheid geven ons te denken wat vrijheid in de essentie betekent.

De Joodse traditie erkent twee soorten vrijheid: een negatief geformuleerde vrijheid en een positieve geformuleerde vrijheid. Deze categorisering vindt ook weerklank bij 20ste eeuwse denkers zoals Isaiah Berlin en Erich Fromm. De eerste soort schept de voorwaarde voor de tweede soort. Negatief geformuleerde vrijheid is de ‘vrijheid van’, het soort vrijheid dat op dit moment met bloed, zweet en tranen in het Midden Oosten (en elders ter wereld waar de media minder over rapporteert) wordt bevochten. Positief geformuleerde vrijheid is de ‘vrijheid tot’, het soort vrijheid dat verplichting en verantwoordelijkheid schept, zoals de morele en democratische verplichting om naar de stembus te gaan in of de persoonlijke verplichting om middelen tot zelfontplooiing ten volste aan te grijpen.

In de Tora worden beiden vormen van vrijheid en hun consequenties besproken. Dit archetypische leitmotief, dat zich voornamelijk in het Pesach verhaal maar ook door de gehele Pentateuch manifesteert, komt het meest expliciet tot uitdrukking in het boek Sjemot (Exodus). Het Joodse volk wordt collectief tot slaaf gemaakt door Farao in Egypte. De Tora beschrijft hoe, stukje bij beetje, vrijheden werden afgenomen. Eerst werd men gedwongen tot zware arbeid, vervolgens moest men bakstenen zonder stro produceren en tot slot nam Farao het gruwelijke besluit om alle Joodse jongetjes in de Nijl te verdrinken. De knoet van de onvrijheid trof de Israëlieten steeds harder. Tegelijkertijd was ook Farao onvrij. Ondanks zijn weelde en macht liet hij zich regeren door angst. Hij vreesde dat het groeiende Joodse volk zijn machtsbasis zou aantasten. Uiteindelijk kwamen beide groepen – de Israëlieten en de Egyptenaren – in een impasse vast te zitten die alleen doorbroken kon worden door een man die zich vrijmaakte van de conventies van zijn opvoeding en ideeënwereld: Mozes.

Hoe het verhaal verder loopt is veelal bekend. Mozes leidt de Israëlieten uit de Egyptische slavernij weg, de woestijn in. De woestijn spreekt tot de Bijbelse verbeelding. Het is een niemandsland dat de mens de mogelijkheid geeft om tot wasdom te komen in relatie met het Goddelijke. Het is dan ook niet vreemd dat het Joodse volk de woestijn in wordt genomen om daar, zeven weken na de uittocht uit Egypte, de Tora aan de voet van de berg Sinaï te ontvangen. Dit waren niet twee losse incidenten in de mythische geschiedenis van de Tora maar juist nauw met elkaar verweven. We bewegen ons nu van negatieve vrijheid naar positieve vrijheid.

Wat gebeurde er aan de voet van die mythische berg? Rabbijnse commentatoren vroegen zich het zelfde af en er bestaan ook veel midrasjiem (rabbijnse vertellingen) over. Eén zo’n vertelling illustreert het begrip ‘negatieve vrijheid’ op prikkelende wijze. Volgens deze legende tilde de Eeuwige de berg Sinaï op boven de hoofden van het Joodse volk en dwong hen te kiezen voor het sociaal en religieus contract van de Tora. Zouden ze het ‘aanbod’ weigeren, dan zou de Eeuwige hen verpletteren onder de berg. Het is niet een zachtaardig beeld wat tegen onze moderne en vrijzinnige opvattingen instrijkt. Tegelijkertijd spreekt er ook eerlijkheid uit: onze levens bestaan uit keuzes die zware consequenties meedragen. Soms is het goed om die consequenties te vrezen. Angst hoeft ons niet te verlammen maar kan ons wel bewust maken van de kwetsbaarheid van onze vrijheid.

Andere rabbijnse vertellingen zijn gelukkig milder gestemd. Hierin wordt de Eeuwige als een tedere minnaar voorgesteld die Zijn bruid Israël het hof maakt. De Tora, geschonken op het symbolische huwelijk van God en Israël tijdens de openbaring op Sinaï, fungeert als huwelijksakte. In deze parabel kenmerkt het begrippenkader zich door liefde en verbintenis. Een positieve vrijheid betekent een positieve keuze voor de waarden en relaties die we koesteren.

Als ‘vrijzinnige denker’ zou ik graag de knuppel in het hoenderhok willen gooien. Van mening verschillen is een goede Joodse eigenschap! Het archetype van de Tora is nog altijd actueel. De ‘vrijheid blijheid’ van de jaren zeventig was nodig: oude machtsstructuren moesten worden gedeconstrueerd en zonder die bevochten vrijheden zou ik hier niet staan als vrouwelijke rabbijn-in-opleiding. Dagelijks ben ik dankbaar voor de strijd die geleverd is en pluk ik daar de vruchten van.

Toch is ‘vrijheid blijheid’ slechts het halve verhaal. Echte vrijheid is een veel dynamischer fenomeen. Echte vrijheid verplicht ons, schept nieuwe verantwoordelijkheden en uitdagingen.

Wij zijn niet uit slavernij bevrijd om vervolgens slaaf te worden van nihilistische impulsen maar juist om waardigheid en verbondenheid te vinden in het dienen van idealen die groter zijn dan onszelf. Laten we dan vooral geluk en liefde vinden in het verdedigen van de grenzen van deze vrijheid. Vrijheid is een convenant dat we met elkaar moeten sluiten zodat we oprecht ‘vrijheid kunnen afkondigen in het land voor al haar bewoners’ (Lev. 25:10).

Thursday, January 27, 2011

Roots and Branches

The former church of my ancestors in Amsterdam


As a rabbinical student, I engage in interfaith work which I find very important.

For previous interfaith work, I have attended conferences (such as L.A.'s interseminarian conference 'InterSem') and have written articles and given lectures for both the Dutch Roman Catholic and Protestant churches. One of my more exciting assignments this past month was giving a lecture at the 'Vrije Gemeente', the 'Free Community' of Amsterdam. The Vrije Gemeente originated as a very liberal, 'Unitarian Universalist-esque' Protestant community founded in 1877. Over the centuries, they have held on to their commitment to theological liberalism and humanism. They welcome a wide range of speakers for their Sunday morning activities.


Petrus Hermannus Hugenholtz (my father, z"l, had his nose!)


I approached the Vrije Gemeente last year because I wanted to do an activity for them. My reasons were rather specific and remarkable: the Vrije Gemeente is the church of my direct ancestors.

I am the descendant of one of the oldest families of Protestant ministers and theologians in the Netherlands. (My family goes back to the time of Martin Luther and according to family legend, my paternal ancestors were directly connected to Luther). For 250 years, 50% of my (male) ancestors in the Hugenholtz family trained for the clergy. This tradition ended in 1973 when the last Hugenholtz minister died.

My great grandfather Frederik Willem Nicolaas Hugenholtz (1839 - 1900) and (one of) his brother(s), Petrus Hermannus Hugenholtz (1834 - 1911) were the two radical Protestant ministers who established the Vrije Gemeente (at what is now the famous music venue Paradiso) in 1877. The location has changed since then but the community still exists.
The brothers broke away from the Dutch Reformed Church because they considered it too conservative and embraced a liberal-humanist and Unitarian theology. Petrus Hermannus became a prolific writer as well as a gifted preacher and his community was the first in 19th century Holland to host a lecture on Buddhism (an indication of their heterodoxy, intellectual curiosity and tolerance).


Me giving my lecture at the Vrije Gemeente


When I told them my unique connection to their community, they graciously welcomed me.
And so it happened: I crafted a lecture on 'Chayyim Tovim: a Jewish Spirituality of Mindfulness' and delivered it on Sunday 16th of January.
Before I ascended the dais, they excitedly announced to their congregants that after 140 years, they had another Hugenholtz speaking here. A great granddaughter, no less. I gazed upon the portrait of my great granduncle in the hallway and felt a great sense of honour and obligation. I am a Jew training for the rabbinate, to be sure. And yet I feel that I am continuing my family tradition.

True to my ancestors' form, my lecture was experimental. The premise was that if we can learn meditation from Buddhist tradition, be inspired by Sufi poetry and go on spiritual retreats at Catholic monasteries, then what principles can Judaism share as a spiritual practice?

I first carefully laid down the groundwork: clarifying the Jewish theology on human dignity and diversity, the role of Jews and non-Jews in a common project for tikkun olam (repairing the world) and on the risks of cultural appropriation. After laying the groundwork, I spoke about the universal relevance of such Jewish principles of rest, learning, prayer and conscious eating and suggested ways in which limited aspects of these practices could be integrated into one's spiritual life.

The community found the premise very interesting and thoroughly enjoyed themselves. After the lecture, there was an opportunity for asking questions and I had to chance to explain about the inner workings of my tradition and was able to address a few misconceptions about Judaism.

The event really struck to the core of what interfaith work means to me. It made me appreciate the openness of the Other and made me fall in love with my Judaism again. I felt proud and privileged to stand there on that dais. Privileged to be a Jew and a rabbinical student who is granted access to the multifaceted wisdom and meaning of Torah. And proud to be a descendant of a family in search of truth, beauty and wisdom wherever it may be found.

Like roots and branches, the universal and the particular blend splendidly sometimes.

Monday, January 24, 2011

Vertrouw op de Eeuwige

Dit artikel verscheen eerder in 2010 in 'Kerk en Israël', het blad van de Protestantse Kerk Nederland.

'Betach b’Adonai va’aseh tov'—'vertrouw op de Eeuwige en doe het goede', Psalm 37:3.

In de Joodse traditie is spiritualiteit is onlosmakelijk verbonden met ethisch handelen, aldus Psalm 37:3. Sterker nog, de hierop volgende strofe verbindt consequenties aan het voorgaande. Want alleen als men het goede doet, zal men veilig ‘in het land’ leven (Ps. 37:4). ‘In het land’ betekent volgens klassieke Joodse commentatoren niet alleen het land Israël maar ook het ‘hier en nu’. Wij Joden streven er naar om onze spiritualiteit te ‘aarden’. Daarmee aanvaarden we tegelijkertijd morele verantwoordelijkheid voor onze omgeving.

Het is dan ook niet toevallig dat Psalm 37 een kleine maar cruciale rol speelt in onze Sjabbatliturgie, namelijk in het dankgebed na de maaltijd.

Elke vrijdagavond voltrekt er zich een vertrouwd ritueel ter heiliging van de Sjabbat. De tafel is gedekt met een wit tafellaken en met het mooiste serviesgoed. Veelal is er een zilveren kiddoesjbeker te vinden. Twee challes, gevlochten Sjabbatbroden, liggen eerbiedig toegedekt op tafel. Wanneer de vrouw des huizes de kaarsen heeft aangestoken maakt het gezinshoofd (dit kan de man of vrouw zijn) kiddoesj, de zegen over de beker met wijn. Hierna worden de handen ritueel gewassen ter voorbereiding voor het ‘moutsi maken’, het uitspreken van de zegen over de challes. Het versgebakken brood wordt teder opgepakt, gezegend en daarna verdeeld onder de genodigden.

De tastbare spiritualiteit van dit moment is vervlochten met vele eeuwenoude betekenissen. Eén van de oudste betekenissen is dat de geritualiseerde Sjabbattafel het altaar in de oude Tempel voorstelt. Net zoals de priester de plengoffers en de schouwbroden bracht, heiligen wij Joden na de vernietiging van de Tempel onze ‘mikdash me’at’ (kleine tempel) thuis. De tempelcultus werd in de rabbijnse traditie getransformeerd tot een democratische en toegankelijke daad van heiliging voor en door allen.

Vervolgens schuift het gezin (en mogelijke gasten—gastvrijheid op de Sjabbat is een groot goed) aan om te genieten van een heerlijke maaltijd. Na het eten volgt het Birkat haMazon, het dankgebed na de maaltijd. Het Birkat haMazon is een tamelijk lang gebed wat op vrolijke melodieën gezongen wordt. Ondanks de feestelijkheid van de Sjabbestafel, kent het gebed een aantal serieuze thema’s die zich steeds naar een hogere mate van universaliteit bewegen. Wij danken God voor ons voedsel, voor het heilige land en uiteindelijk voor Zijn goedheid voor al Zijn schepping.

Extra wrang is het dan ook dat als allerlaatste onderdeel Psalm 37:25 wordt gezongen: “na’ar ha’iti gam zakanti, v’lo ra’iti tzaddik ne’ezav v’zar’o m’vakesh lachem—ooit was ik jong, nu ben ik oud, en nooit zag ik dat een rechtvaardige werd verlaten, nooit zag ik zijn kinderen zoeken naar brood”. Het lijkt alsof de p’sjat (de letterlijke betekenis) van de tekst suggereert dat rechtvaardige mensen geen honger lijden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Joodse traditie hiermee worstelt. De midrasjiem (rabbijnse vertellingen) proberen hier dan ook oplossingen voor te vinden. Is dit vanuit het hemelse perspectief van de engelen geschreven, die het mysterie van beloning en bestraffing begrijpen? Of gaat het juist om hoe de tzaddik (rechtvaardige) waardig omgaat met zijn lot? Verreweg de meeste stemmen in onze traditie (van oud tot modern) benadrukken de oproep tot rechtvaardigheid die in deze tekst besloten ligt. Aan ons de opdracht om er zorg voor te dragen dat niemand tot de bedelstaf wordt veroordeeld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de volgende strofe in Psalm 37 ons oproept tot daadkracht en sociale rechtvaardigheid: “hij is vol mededogen en leent uit, elke dag, voor zijn kinderen is hij een zegen.”

Zo worden spiritualiteit en ethiek op een hele elementaire manier in onze traditie met elkaar verbonden. Sterker nog: het is nauwelijks voor te stellen dat zij losgekoppeld zouden kunnen worden. Ritueel kan alleen een vat voor heiligheid zijn als het ook beantwoordt aan zijn ethische imperatief. Dat is de essentie van onze Sjabbestafel. Te midden van de meest heerlijke spijzen op ons ‘kleine altaar’ worden wij tijdens ons geluk herinnerd aan de honger en verdriet van anderen en verplicht dit ons tot het doen van het goede. Rechtvaardigheid is namelijk waarachtig godsvertrouwen.

Nieuwjaar

2011 from weheartit


Deze column verscheen in januari 2011 op de website van de 'Dag van het Jodendom', een interreligieus initiatief van de Rooms-Katholieke Kerk om binnen de Kerk een positieve visie op het Jodendom te ontwikkelen.

Buiten voltrok zich een waar een slagveld aan vuurwerk, maar binnen staken mijn man en ik in rust en vrede de sjabbatkaarsen aan. Oudejaarsavond viel dit jaar (net zoals Kerst) samen met sjabbat.

Dat er een ruime week tussen Kerst en Nieuwjaar zit is geen toeval. We kennen Oudejaarsavond, met oliebollen en champagne, voornamelijk als seculier feest. We zouden in de luide knallen van rotjes een poging van heidense oorsprong kunnen zien om de ‘demonen van de duisternis’ te verdrijven. Tegelijkertijd sluiten we onder het mom van ‘goede voornemens’ en masse abonnementen af bij de sportschool en plakken we ijverig nicotinepleisters . Toch is één van de minder bekende betekenissen van Nieuwjaar het oorspronkelijke ‘Feest van de Besnijdenis van Christus’.

In de Joodse traditie worden jongetjes acht dagen na hun geboorte besneden en doen hiermee hun intrede in het Verbond van Abraham. Dit is dan ook één van de meest belangrijke geboden uit de Tora. Jezus was als telg uit een ‘echte jiddisje misjpooche’ hier geen uitzondering op. In de katholieke traditie werd dit gegeven gehonoreerd met ‘het Feest van de Besnijdenis van Christus’ op de eerste januari. Tot de 15 e eeuw werd dit feest samen gevierd met ‘het Feest van de Heilige Naam van Christus’ omdat een Joods jongetje bij de besnijdenis meteen zijn (Joodse) naam ontvangt. Later kwam de nadruk meer op het laatste deel te liggen, waardoor de viering van de besnijdenis in de katholieke traditie steeds meer in de vergetelheid raakte. In 1960 kreeg het feest vanwege tal van liturgische hervormingen door paus Johannes XXIII een universeler karakter. In 1974 werd het de eerste januari door de Kerk uitgeroepen als ‘Dag van de Vrede’.

Toch kunnen we waarde in de symboliek van de besnijdenis vinden. In het Jodendom verbeeldt het getal zeven aardse volmaaktheid. In zeven dagen voltooide de Eeuwige de schepping en rustte Hij. Na zeven jaar verkreeg de slaaf volgens de Tora zijn vrijheid en moest landbouwgrond braakliggen om de aarde de kans te geven te rusten. En elke negenenveertig jaar (zeven maal zeven) werd het Jubeljaar uitgeroepen, waarbij de grote maatschappelijke reset-knop werd ingedrukt: schulden werden kwijtgescholden en iedereen kreeg een schone lei.

Waarom dan die besnijdenis op de achtste dag? Dit is de ‘overtreffende trap’. De mens (in dit geval, het Joodse jongetje) is ‘compleet’ wanneer hij geboren wordt, maar vind pas vervulling en lotsbestemming door de heiliging van het verbond. Acht vertegenwoordigt het transcendente en een sprankelend nieuw begin.

Het Feest van de Besnijdenis van Christus viert dus veel meer dan alleen het verband tussen Jodendom en katholicisme. De Dag van het Jodendom is een soort januskop: we kijken naar het verleden opdat we het kunnen begrijpen, maar tegelijkertijd richten we ons op de toekomst zodat we deze ten positieve kunnen beïnvloeden.

Vuurwerk en goede voornemens zijn leuk. Maar het nieuwe jaar biedt ons zoveel meer. Het geeft ons de kans om het transcendente in ons en onze tradities aan te raken. Om de goddelijke opdracht om deze wereld te vervolmaken met beide handen aan te grijpen – in zowel de kleine als de grote dingen. Van een teer baby’tje dat tweeduizend jaar geleden in een stal geboren werd tot de grootse en meeslepende visie van de Profeten van Israël die zich een wereld van eenheid, gerechtigheid en vooral heiligheid voorstelden.

Ik wens u dan ook een heel gelukkig, gezegend, inspirerend en vooral heilig 2011.

Verschil mag er wezen

church from weheartit



Deze column verscheen in november 2010 op de website van de 'Dag van het Jodendom', een interreligieus initiatief van de Rooms-Katholieke Kerk om binnen de Kerk een positieve visie op het Jodendom te ontwikkelen.

Nadat ik vorige winter in een kerk één van mijn lezingen had gehouden in het kader van de ‘Dag van het Jodendom’ kreeg ik door de diaken een privétour van het gebouw aangeboden. Als in een Dan Brown roman kropen wij op ladders en door duistere gangetjes totdat we opeens in de nok van de kerk stonden.

In eerste instantie keek ik instinctief naar beneden naar de vloer, het altaar en het kruis. Pas daarna richtte mijn blik zich naar voren, naar het koepelvormige dak. Ik slaakte een kreet van bewondering. Daar zag ik in prachtige gouden letters staan, ‘sanctus sanctus sanctus Dominus Deus Sabaoth’ en een rilling van religieuze herkenning trok door mij heen. Wanneer wij Joden als gemeenschap bidden is deze zin standaard onderdeel van onze liturgie: ‘kadosj kadosj kadosj Adonai Tsewaot melo kol ha’aretz kewodo’. ‘Heilig, heilig, heilig is de Heer der Heerscharen, de hele aarde is vervuld van Zijn glorie.’ (Jesaja 6:3)

Ik was ontroerd.

Verrukt liet ik mijn ogen door de prachtige koepel dwalen, azuurblauw met gouden sterren en ik stelde mij de engelen voor die elkaar het sanctus toeroepen, zoals de profeet Jesaja beschrijft in zijn visioen. Ik richtte mijn ogen naar het hoogste deel van de koepel en zag daar een prachtige schildering van het Lam Gods. Opeens schrok ik, de herkenning was plotsklaps weer verdwenen. Het concept van het Lam Gods past fundamenteel niet in de Joodse theologie.

Een van de vragen die mij bezighoud binnen de interreligieuze dialoog is het durven erkennen van zowel verschillen en overeenkomsten. Het is gemakkelijk om enerzijds met alle goede wil van de wereld over de verschillen heen te walsen of anderzijds schichtig om te gaan met wat ons bindt. Beiden doen onze dialoog en onze tradities geen recht aan. We zijn anders—voor hele essentiële redenen—en we hoeven hiervoor niet onze excuses aan te bieden. Tegelijkertijd is blindstaren op de verschillen niet constructief en ontzeggen wij ons zelf de kans om ons oprecht te laten verrassen en ontroeren door die overeenkomsten.

De Katholieke Kerk is een wereldkerk. Ook zij zal vast en zeker dagelijks, al twee millennia lang, omgaan met diversiteit. En als goede Jood ben ik altijd in voor discussie. Onze hele Talmoedische (en ‘kerkrechtelijke’) traditie rust op de moed om het roerend met elkaar oneens te zijn. Daar is het Jodendom alleen maar humaner en leefbaarder van geworden.

Uit dit spanningsveld tussen verschil en overeenkomst kan iets prachtigs voortkomen. De engelen fluisteren namelijk niet stilletjes naast elkaar maar roepen elkaar toe, elkaar rechtaankijkend en vol zelfvertrouwen. Als wij elkaar recht durven aan te kijken en vanuit onze eigen kracht en openheid van geest elkaar durven aan te spreken, dan komen de gulden letters echt tot glans. ‘Heilig, heilig, heilig’.

Heiligheid zit altijd in de dialoog. Verschil mag er wezen maar de overeenkomsten opzoeken moet.

Sunday, January 23, 2011

Bitterzoete rust

candles / weheartit


Deze column verscheen in november 2010 op de website van de 'Dag van het Jodendom', een interreligieus initiatief van de Rooms-Katholieke Kerk om binnen de Kerk een positieve visie op het Jodendom te ontwikkelen.

Het regent ijzige druppels en de pepernoten liggen alweer in de schappen. Nederland maakt zich druk op voor Sinterklaas om vervolgens door te stomen naar Kerstmis en Oud en Nieuw. Ik geniet even van de rust. De Hoge Feestdagen liggen achter ons en de Joodse kalender biedt even respijt.

Deze kalender kent een ingewikkeld maar ingenieus lunisolair systeem. Dit is op zowel de maanstand (elke 28 dagen) als de wenteling van de zon (elke 365 dagen) gebaseerd. Een wiskundig trucje combineert beiden en voegt elke twee of drie jaar een schrikkelmaand toe om het verschil tussen de maanden en het jaar op te vangen. Een groot voordeel van dit stelsel is dat de band met de cycli van zon, maan en natuur intact blijft. Onze liturgie viert elke maand ‘rosj chodesj’, de vernieuwing van de maan, met speciale gebeden zoals het reciteren van de prachtige natuurpsalm 104. Tevens beginnen de meeste van onze belangrijke feesten zoals Pesach (Joods Pasen) en Soekkot (Loofhuttenfeest) met de volle maan.

En zo keek ik dit jaar reikhalzend uit naar dat dunne streepje nieuwe maan die de maand Chesjwan inluid. Chesjwan ook wel ‘Marchesjwan’ genoemd (‘mar’ betekent bitter) omdat men betreurd dat er in deze maand geen feestdagen zijn. Voor betrokken joden, echter, geeft Chesjwan ons een welkome adempauze. Dit is de tijd dat rabbijnen de kans krijgen om eindelijk hun emails te beantwoorden en hun artikelen te schrijven en dat Joodse huisvrouwen (en –mannen!) even geen uitgebreide feestmaaltijden hoeven te koken. De synagoges zijn wederom een oase van (Sjabbats)rust.

Om terug te blikken op de ‘Hoge Feestdagen’ moeten we de klok twee maanden terug zetten. We beginnen bij Eloel. Dze nazomerse maand gaat vooraf aan Rosj haSjana (Joods Nieuwjaar) en Jom Kippoer. Joods Nieuw Jaar is hele andere koek dan het vuurwerkgeweld van ‘Oud en Nieuw’ en bestaat uitsluitend uit bezinning en inkeer—tesjoewa. We bezinnen ons op onze daden van het afgelopen jaar en vragen vergiffenis van onze medemens. Dan pas kunnen we vergiffenis van de Eeuwige vragen op Jom Kippoer zelf. Tesjoewa kan je op vele manieren doen; door een goed gesprek aan te gaan, te reflecteren in een dagboek, via vrijwilligerswerk of het geven van geld aan goede doelen of middels gebed, overdenking of meditatie. Kortom, Eloel is een maand van verhoogde intimiteit tussen God, het individu en zijn of haar medemens.

Na de voorbereidende maand Eloel volgt de maand Tisjré (deze valt in september of oktober). Het begin van Tisjré is dus Rosj haSjana (Nieuw Jaar). Op Rosj haSjana blazen wij op de sjofar (ramshoorn) als oproep tot tesjoewa. De liturgie benadrukt de koninklijkheid van God. We bezinnen ons op onze sterfelijkheid en wat we voor elkaar betekenen. We eten appeltjes met honing voor een goed en zoet nieuw jaar. Tien dagen later, op de 10 e van Tisjré, culmineert deze periode in Jom Kippoer.

Jom Kippoer is het spirituele hoogtepunt van het jaar. Onze liturgie is veel rijker dan normaal en wij vasten vijfentwintig uur lang. We overdenken onze tekortkomingen en vragen de Eeuwige om vergiffenis. Het is een intense maar geen deprimerende dag. Onze traditie noemt Jom Kippoer de ‘witte vast’ omdat wij vergeven worden en onze band met God en mens vernieuwd wordt. De gemeenschap komt de hele dag in sjoel bijeen en doormaakt gezamenlijk een loutering. Uitgeput maar geestelijk gereinigd breken we na zonsondergang de vast.

Vijf dagen later, op volle maan, begint Soekkot (het Loofhuttenfeest). Dit staat ook bekend als de ‘zeman simchateinoe’, de tijd van onze vreugde. We eten in de Loofhut; een symbool van zowel onze vrijheid (het gedenkt de hutten waarin de Kinderen Israëls woonden na hun ontsnapping uit de Egyptische slavernij) als onze kwetsbaarheid. Soekkot wordt na een ruime week afgesloten met het evenals vrolijke Simchat Tora (Vreugde der Wet) waarin wij vieren dat we de Tora (en haar verplichtingen) mochten ontvangen. Men danst ongeremd met de wetsrollen en we beginnen vooraf aan met de wekelijkse Toralezing, dus gewoon bij het ‘In den beginne’ van Genesis. Net zoals de zon en de maan kent de Joodse traditie haar cycli.

En dan is het voorlopig uit met de pret. Wat volgt is dus de bitterzoete rust van Chesjwan (en pas een later in het jaar Chanoeka, Poerim en Pesach). Gelukkig heb ik dan tijd om deze column te schrijven en te genieten van niet alleen de bijzondere momenten in het leven maar ook de gewone. Want feest of geen feest, het is uiteindelijk de taak van de Jood om het alledaagse te heiligen in het hier en nu.